KNMG, 4 februari 2008
De KNMG pleit in een reactie op de Beleidsbrief Medische Ethiek van het kabinet Balkenende IV voor het verstrekken van de abortuspil door de huisarts en het invoeren van een flexibele bedenktijd bij een vraag om abortus.
Aan de leden van de Vaste Kamercommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Tweede Kamer de Staten Generaal Postbus 20018 2500 EA 's-Gravenhage
Onderwerp: A.O. 7 februari inzake Beleidsbrief Medische Ethiek (30 800, XVI, nr. 183)
Utrecht, 4 februari 2008
Geachte leden,
De KNMG heeft kennis genomen van de Beleidsbrief Medische Ethiek, die door staatssecretaris Bussemaker in september 2007 is gepubliceerd. Over het algemeen kan de KNMG zich goed vinden in de uitgangspunten van deze brief. Ook is de KNMG verheugd over de grote aandacht die ethische vraagstukken kijgen in het beleid van de staatssecretaris. De KNMG gaat graag op een aantal aspecten in de Beleidsbrief dieper in:
· Uit medisch en sociaal oogpunt is het wenselijk dat vrouwen die hun zwangerschap willen laten afbreken dit zo met een zo kort mogelijke vertraging kunnen doen. Ook is het van belang dat vrouwen, binnen wettelijke kaders, een zo groot mogelijke vrijheid hebben in de keuze voor de hulpverlener en in de methode voor de zwangerschapsafbreking. Bij overtijdbehandeling is niet duidelijk of er technisch gesproken zwangerschapsafbreking plaatsvindt, tenvijl het grote voordeel van deze methode juist is dat vrouwen niet in onzekerheid hoeven te worden gelaten. Ook kan hiermee een grotere ingreep (zuigcurettage) op een later tijdstip worden voorkomen. De KNMG is dan ook van mening dat vrouwen die slechts kort over tijd zijn (17 dagen of korter) de abortuspil van de huisarts moeten kunnen krijgen. De KNMG sluit zich dan ook aan bij het pleidooi van de Nederlandse Vereniging van Vrouwelijke Artsen (VNVA) om de overtijdbehandeling niet onder de abortuswet te laten vallen. Dit laat de mogelijkheid open dat huisartsen de abortuspil kunnen gaan voorschrijven.
· Bij zwangerschapsafbreking dient de weloverwogen beslissing van de vrouw centraal te staan. In sommige gevallen zal dit een bedenktijd langer dan vijf dagen vragen, in andere gevallen werkt de verplichte bedenktijd onnodig vertragend en belastend voor de vrouw. De KNMG onderschrijft daarom de mening van de VNVA dat in alle gevallen - dus ook na 17 dagen over tijd - de vaste bedenktijd van vijf dagen dient te worden vervangen door een flexibele bedenktijd. Dit is in overeenstemming met de aanbevelingen uit de evaluatie van de Wet Afbreking Zwangerschap. Ook de Wereldgezondheids- organisatie WHO heeft zich in 2003 tegen een vaste bedenktijd voor abortus uitgesproken, omdat deze de hulpverlening onnodig vertraagt en de veiligheid van de vrouw in gevaar kan brengen.
· De hulpverlening aan ongewenst zwangere vrouwen dient gericht te zijn op het nemen van een vrijwillig, weloverwogen besluit door de vrouw. De arts dient zich in het gesprek met de vrouw neutraal op te stellen, goede voorlichting te geven en haar te begeleiden bij het komen tot een weloverwogen besluit. De arts moet zich er van vergewissen dat de zwangere vrouw goed geïnformeerd is over de gevolgen van haar keuze en over mogelijke alternatieven. Dit kan ook betekenen dat voor een andere optie dan abortus wordt gekozen. Het is echter geen taak van de arts de zwangere vrouw van haar besluit tot abortus af te brengen. Ook is het geen verplichting dat expliciet alle mogelijke alternatieven voor abortus worden besproken.
· De KNMG heeft eerder te kennen gegeven dat het in de Beleidsbrief aangekondigde onderzoek naar de psychosociale gevolgen van abortus zowel in vraagstelling als methodiek objectief en wetenschappelijk van aard moet zijn. Het onderzoek moet zich daarom niet alleen richten op de psychosociale gevolgen van abortus, maar op alle beslissingen rond het al of niet afbreken van een zwangerschap, dus ook op (de psychosociale implicaties van) adoptie. De minister heeft dit inmiddels toegezegd. De KNMG wil echter nogmaals wijzen op het grote belang van de onafhankelijkheid van dit onderzoek.
· De Beleidsbrief Medische Ethiek kondigt nog een tweede onderzoek aan, naar de wijze waarop het begrip noodsituatie in de praktijk wordt ingevuld. De evaluatiecommissie van de WAZ heeft echter laten zien dat het begrip noodsituatie conform de eisen wordt ingevuld, en er geen noodzaak is dit begrip nader te onderzoeken. De KNMG ziet dan ook niet in hoe dergelijk onderzoek de zorgvuldigheid van de besluitvorming zou kunnen dienen.
De hierboven genoemde punten verdienen naar de mening van de KNMG een kritische blik. Uiteraard zijn wij graag tot een toelichting bereid.
Hoogachtend
Mr. W.P. Rijksen algemeen directeur
|